• Nieuwe bevoegdheden rechtbanken van koophandel en vredegerechten

De wet van 26 maart 2014 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies (B.S. 22 mei 2014) kent een aantal nieuwe bevoegdheden toe aan zowel rechtbanken van koophandel als de vrederechters.

Deze wet treedt in werking op 1 juli 2014.

De belangrijkste wijziging voor de rechtbanken van koophandel is dat ze voortaan bevoegd worden om geschillen tussen ondernemingen te regelen, wat wordt gedefinieerd als “tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking hebben op een handeling welke is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen“.  (artikel 573, 1° Ger.W.)

De vordering gericht tegen een onderneming kan onder de nieuwe in het eerste lid, 1° bepaalde voorwaarden eveneens voor de rechtbank van koophandel worden gebracht, zelfs indien de eiser geen onderneming is. Elk beding tot aanwijzing van een bevoegde rechter dat is gemaakt voor het ontstaan van het geschil is – in dat opzicht – nietig.

Consequent hiermee zijn de vroegere termen “kooplieden“, “daden van koophandel“, “handelsvennootschap” overal geschrapt of vervangen.

Daarnaast wordt door art. 9 van deze wet van 26 maart 2014 de summiere rechtspleging om betaling te bevelen (artikel 1338 Ger.W.) uitgebreid tot de vorderingen die behoren tot de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel.

De vrederechters worden voortaan eveneens bevoegd voor de invordering van geldsommen door leveranciers van nutsvoorzieningen aan natuurlijke personen die in gebreke blijven. De term “leverancier van nutsvoorzieningen” verwijst naar een leverancier van elektriciteit, gas, warmte of water of een persoon die een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een omroeptransmissie- of omroepdienst aanbiedt.

De rechter van de woonplaats van de natuurlijke persoon is territoriaal bevoegd om kennis te nemen van dergelijke geschillen.

Zaken die vóór de inwerkingtreding op 1 juli 2014 aanhangig zijn gemaakt bij een rechtscollege dat daarvoor bevoegd was krachtens de op dat ogenblik geldende bepalingen, worden verder door dat rechtscollege behandeld.