Kritische bedenkingen bij het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 12.03.2026 (C.24.0404.N)
In zijn arrest d.d. 12.03.2026 (C.24.0404.N) oordeelde het Hof van Cassatie (dat):
“Bij het bepalen van de bijdrage van de ouders in de kosten voor hun kinderen moet de rechter rekening houden met de middelen waarover zij werkelijk kunnen beschikken na verrekening van de redelijkerwijze onvermijdelijke lasten.
Onder deze lasten valt evenwel niet de persoonlijke onderhoudsuitkering die tijdens de echtscheiding aan de echtgenoot is verschuldigd op grond van de artikelen 213 en 221, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, aangezien de bijdrage in de kosten voor de kinderen voorgaat op de persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheiding.”
Mr. Kris Wellekens heeft een aantal bedenkingen bij dit arrest.
1.
In een arrest van het hof van Beroep te Antwerpen d.d. 20.03.2024 werd vader veroordeeld tot een onderhoudsbijdrage voor – in deze volgorde – elk van zijn kinderen ten belope van 120,00 EUR per maand alsmede tot een persoonlijke onderhoudsuitkering gedurende de echtscheidingsprocedure aan zijn echtgenote ten belope van 1.500,00 EUR per maand.
Vader tekende cassatieberoep aan tegen voormeld arrest waarin hij onder ander als middel formuleerde dat de appelrechter, bij de beoordeling van de bijdrage van de partijen naar evenredigheid van hun aandeel in de samengevoegde middelen voor de begroting van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen, onterecht geen rekening had gehouden met het feit dat hij tevens werd veroordeeld tot betaling aan de moeder van een persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheidingsprocedure van 1.500,00 EUR. Vader argumenteerde dat het hof, ter gelegenheid van de begroting van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen, rekening had dienen te houden met deze verschuiving (waardoor hij 1.500,00 EUR minder beschikbare middelen had en moeder 1.500,00 EUR meer beschikbare middelen had). Vader was van mening dat het hof de artikelen 203 en 203bis van het oud Burgerlijk Wetboek had geschonden door geen rekening te houden met de inkomsten waarover partijen (na verschuiving van de 1.500,00 EUR) daadwerkelijk kunnen beschikken.
Het Hof van Cassatie verwierp dit middel met volgende argumentatie:
“Bij het bepalen van de bijdrage van de ouders in de kosten voor hun kinderen moet de rechter rekening houden met de middelen waarover zij werkelijk kunnen beschikken na verrekening van de redelijkerwijze onvermijdelijke lasten. Onder deze lasten valt evenwel niet de persoonlijke onderhoudsuitkering die tijdens de echtscheiding aan de echtgenoot is verschuldigd op grond van de artikelen 213 en 221, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, aangezien de bijdrage in de kosten voor de kinderen voorgaat op de persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheiding.”
Met andere woorden, toegepast op de casus in concreto: het hof van beroep te Antwerpen was correct uitgegaan van de middelen van vader zonder er rekening mee te houden dat hij 1.500,00 EUR diende te betalen aan moeder bij wege van persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheidingsprocedure.
2.
Er zijn meerdere situaties gekend waarbij door de rechtbank wordt rekening gehouden met virtuele bedragen die niet overeenstemmen met wat de onderhoudsplichtige of onderhoudsgerechtigde daadwerkelijk als beschikbare middelen op de rekening heeft staan om te spenderen aan de kosten van de kinderen.
Aan de actiefzijde is dat bijvoorbeeld het geval bij de begroting van het verdienvermogen van een ouder die zijn inkomsten niet optimaliseert of van een bedrijfsleider wiens winsten die redelijkerwijze hadden kunnen worden uitgekeerd mee in rekening worden gebracht (Cass. 14 februari 2025, C23.0220.N, RW 2025-26, afl. 13 en Cass. 2 mei 2025, C.24.0149.N, T. Not 2025, 705-706). Op die manier wordt vermeden dat de onderhoudsplichtige een te lage onderhoudsbijdrage zou dienen te betalen of de onderhoudsgerechtigde een te hoge onderhoudsbijdrage zou ontvangen. In deze gevallen zijn de liquide middelen waarover die ouder beschikt niet gelijk aan (en per definitie lager dan) de bedragen die door de rechter in aanmerking worden genomen. In bovenvermelde voorbeelden gaat de rechtbank of het hof ervan uit dat de onderhoudsplichtige diens liquide middelen (bewust of ten gevolge van een nalatig handelen) links laat liggen en wordt geoordeeld dat dergelijke keuze niet in het nadeel van de kinderen mag zijn.
Aan de passiefzijde wordt dan weer enkel rekening gehouden met een beperkt aantal kosten en niet met de daadwerkelijke kosten die de ouders hebben. Recent heeft het Hof van Cassatie zijn eerdere rechtspraak omtrent de middelen van de ouders verfijnd door te oordelen dat de rechter, bij het bepalen van de bijdrage van de ouders in de kosten voor hun kinderen, rekening moet houden met de middelen waarover zij werkelijk kunnen beschikken na verrekening van de redelijkerwijze onvermijdelijke lasten (Cass. 16 september 2022, AR C.21.0544.N; https://juportal.be/ (20 september 2022); JLMB 2024, afl. 33, 1463 en https://jlmbi.larciergroup.com/ (18 oktober 2024); NjW 2023, afl. 485, 554, noot VANDENBUSSCHE, W.; RABG 2023, afl. 1-2, 95; Rev.trim.dr.fam. 2023 (samenvatting), afl. 3-4, 859; RW 2022-23 (samenvatting), afl. 28, 1096 en http://www.rw.be/ (4 maart 2023), noot -; T.Not. 2023, afl. 2, 149)
In de rechtspraak worden daarbij onder meer aanvaard als redelijkerwijze onvermijdelijke last: een hypothecaire leninglast of een huurlast, eventuele medische kosten van een ouder en de onderhoudslasten voor een niet-gemeenschappelijk kind (Cass 20 januari 2023, T. Fam 2023, 236-242, Cass 7 maart 2025, C.24.0073.N, JLMB 2026, afl. 9, 388 en https://jlmbi.larciergroup.com/ (10 maart 2026); https://juportal.be/ (29 maart 2025); RABG 2025, afl. 11-12, 1029, noot GOVAERTS, M.; RW 2024-25 (samenvatting), afl. 35, 1432 en http://www.rw.be/ (19 mei 2025), noot -)
3.
Het is dan ook moeilijk te begrijpen waarom een persoonlijke onderhoudsuitkering (tijdens de echtscheidingsprocedure) van de ene ouder aan de andere ouder niet als een onvermijdbare last wordt aanzien, want de onderhoudsplichtige wordt veroordeeld tot deze last, dewelke dus per definitie (“redelijkerwijze”) onvermijdbaar is.
De essentie van de motivering van het Hof van Cassatie lijkt te zijn dat bij pluraliteit van onderhoudsplichten artikel 203 oud Burgerlijk wetboek (dat van openbare orde is) primeert op artikel 213 oud Burgerlijk Wetboek (dat slechts van dwingend recht is) (zie ook G. Verschelden, Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, volume 1, Die Keure, 2025, p 324-325, rn 638-641)
Maar in de besproken casus lijkt er mij geen conflict te ontstaan bij het toepassen van deze hiërarchie.
De kinderen hebben het recht te delen in de levensstandaard van hun beide ouders (DE WIT, E., Onderhoudslasten voor een niet-gemeenschappelijk kind zijn redelijkerwijze onvermijdelijke lasten (2023), T. Fam 2023, 237-238). Die levensstandaard wijzigt niet met de verschuiving die de veroordeling tot een persoonlijke onderhoudsbijdrage met zich meebrengt. Er verschuift immers slechts een bedrag van de ene ouder naar de andere ouder. Het totale gezinsbudget blijft dus onveranderd, dus ook datgene waar de kinderen recht op hebben. De persoonlijke onderhoudsbijdrage in mindering brengen bij de onderhoudsplichtige ouder en in rekening brengen bij de onderhoudsgerechtigde ouder wijzigt slechts hun verhouding waarin zij tot bijdragen zijn gehouden.
Het aanvaarden dat rekening wordt gehouden met een persoonlijke onderhoudsuitkering als een redelijk onvermijdelijke last belet m.i. helemaal niet dat de hiërarchie wordt gerespecteerd. Wel dient er correct rekening te worden gehouden met gewijzigde omstandigheden. De rechter dient eerst de onderhoudsbijdrage voor de kinderen te behandelen, waarbij de beschikbare middelen van beide ouders worden begroot. Hieruit volgt een verhouding waarin de ouders tot bijdrage zijn gehouden. In tweede orde gaat de rechter over tot het toekennen en begroten van een persoonlijke onderhoudsuitkering. Die tweede beslissing heeft wel tot gevolg dat er gewijzigde omstandigheden optreden ten opzichte van de eerste beslissing. Immers zijn de beschikbare middelen van beide ouders zoals aangenomen in de eerste beslissing gewijzigd door de tweede beslissing. De eerste beslissing dient dus te worden herzien rekening houdend met de gewijzigde beschikbare middelen.
(Voor de goede orde: er zou wel een vermindering van het gezinsbudget zijn in geval een onderhoudsplichtige ouder in een uit elkaar vallend nieuw samengesteld gezin een persoonlijke onderhoudsuitkering dient te betalen aan een vorige partner)
4.
Het arrest laat tot slot diverse vragen open:
(1) Moet het bedrag van de persoonlijke onderhoudsuitkering, dat volgens het arrest niet in mindering mag worden gebracht in hoofde van de onderhoudsplichtige ouder, wel of niet (in plus) in rekening worden gebracht bij de onderhoudsgerechtigde echtgenoot/ouder?
Indien de zienswijze wordt gevolgd dat de berekening van de onderhoudsbijdrage van de kinderen de berekening van de onderhoudsbijdrage betreffende een persoonlijke onderhoudsuitkering hiërarchisch voorafgaat, lijkt het antwoord mij te zijn dat er ook in hoofde van de onderhoudsgerechtigde geen rekening mee mag worden gehouden.
Ik zie evenwel geen reden waarom voor de begroting van de onderhoudsbijdrage voor kinderen een rechter rekening zou houden met een verdienvermogen/werkelijke middelen van de onderhoudsgerechtigde die lager zijn is dan datgene waarover die onderhoudsgerechtigde daadwerkelijk kan beschikken.
Indien deze lezing zou worden gehanteerd, dan passeert de onderhoudsgerechtigde tweemaal langs de kassa. Mijn inziens dient dus minstens bij de begroting van de beschikbare middelen in hoofde van de onderhoudsgerechtigde wél rekening te worden gehouden met de ontvangen persoonlijke onderhoudsuitkering. Dit betekent dan wel dat toch eerst de persoonlijke onderhoudsuitkering zal dienen te worden berekend vooraleer aan de slag gegaan wordt met de berekening van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen.
De concrete wiskundige uitwerking laat zien dat er wel wat toepassingsproblemen rijzen bij het door het voormelde arrest geuite principe.
Stel de beschikbare middelen van vader bedragen 7.000,00 EUR, deze van moeder 3.000,00 EUR. Het gezinsbudget bedraagt aldus 10.000,00 EUR, waarop de kosten van de kinderen wordt berekend op 20% of 2.000,00 EUR. Vader dient 70% van deze kost te dragen, moeder 30%.
Moeder ontvangt, na begroting van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen, een persoonlijke onderhoudsuitkering van vader van 2.000,00 EUR. Hun werkelijke beschikbare middelen bedragen aldus elk 5.000,00 EUR. Het gezinsbudget en de kindkost blijven ongewijzigd. De bijdrageverhouding tussen vader en moeder is evenwel gewijzigd naar 50%-50%.
Met toepassing van het arrest dient in hoofde van vader niettemin blijvend rekening te worden gehouden met (virtueel beschikbare middelen van) 7.000,00 EUR. Handhaven we bij moeder nu ook nog steeds een totaal aan (virtueel beschikbare middelen van 3.000,00 EUR, terwijl ze in werkelijkheid over 5.000,00 EUR beschikt ? Dat zou toch wel een zeer strenge visie zijn.
Of gaan we voor een ‘gulden middenweg’ waarbij thans (virtueel) wordt rekening gehouden met beschikbare middelen in hoofde van vader van 7.000,00 EUR en in hoofde van moeder van 5.000,00 EUR. Het gezinsbudget zou hierdoor 12.000,00 EUR worden, waardoor de kostprijs van de kinderen zou verhogen tot 2.400,00 EUR. Dit is evenwel een wiskundig resultaat dat geen grond heeft in de werkelijkheid. Er is in het voormalige gezin geen extra geld bijgekomen, dus het zou onlogisch zijn dat de kinderen plots meer kosten (kunnen spenderen).
Een met het arrest mogelijk verenigbare toepassing, die de juridische principes dichter bij de realiteit breng is m.i. dat in hoofde van vader, met toepassing van het arrest, dient rekening te worden gehouden met virtueel beschikbare middelen van 7.000,00 EUR en in hoofde van moeder met werkelijk beschikbare middelen 5.000,00 EUR. De kindkost wordt niettemin berekend op het werkelijke gezinsbudget van 20% 10.000,00 EUR of 2.000,00 EUR. De bijdrageplicht van vader bedraagt 7/12de (58,33%) en deze van moeder 5/12de (41,66%).
Hoewel deze aandelenverhouding (58,33% – 41,66%) niet overeenstemt met de werkelijkheid (werkelijke aandelenverhouding 50%-50%), benadert deze toch meer de realiteit dan de zienswijze 70%-30%
(2) Het Hof spreekt zich slechts uit over het lot van de persoonlijke onderhoudsbijdrage tijdens de echtscheidingsprocedure. Is de zienswijze van het Hof ook toepasselijk op de persoonlijke onderhoudsbijdrage na de echtscheidingsprocedure ? Ervan uitgaande dat de essentie van de motivering van het Hof van Cassatie is dat bij pluraliteit van onderhoudsplichten een hiërarchie dient te worden gerespecteerd, dat primeert artikel 203 oud Burgerlijk wetboek eveneens op artikel 301 oud Burgerlijk wetboek evenals op een eventuele conventioneel overeengekomen persoonlijke onderhoudsuitkering.
